NTR

We proberen de vader van Jacques te vinden. We hebben Jacques’ moeder Grietje al gevonden in de slavenregisters. Maar eigenaren hielden soms ook lijsten bij van hun slaven. Vooral bij verkoop van plantages, of bij het overlijden van de eigenaar, werden inventarissen opgemaakt van het bezit. De slaven vielen daar ook onder.

 

Om te weten waar we moeten zoeken, moeten we erachter komen wie de eigenaren waren van plantage Barbados. Uit de gegevens van de emancipatieregisters (stap4) weten we de eigenaar bij de afschaffing van de slavernij in 1863: J.H. Insinger & Co, een bank. We doorzoeken het archief van de bank in het Stadsarchief Amsterdam. Helaas levert het geen slavenlijsten op. Zelfs geen gegevens over eventuele voorgaande eigenaren.

 

Een andere handige manier om achter eigenaren van plantages te komen is via de zogenaamde Surinaamse Almanakken. Tussen 1793 en 1928 verscheen in Suriname jaarlijks een almanak, waarin een schat aan informatie over het land en zijn inwoners werd gepubliceerd. Vast bestanddeel in de meeste jaren was een lijst van plantages met daarbij diverse gegevens per plantage, waaronder de naam van de eigenaar.

 

Op de website van de Stichting Surinaamse Genealogie zijn een aantal van deze plantagelijsten van 1843, 1821 en 1793 digitaal in te zien (http://www.surinaamsegenealogie.nl/zoeken/plantagelijsten). We zoeken naar plantage Barbados en komen erachter dat in 1821 en 1843 de plantage in handen was van D. F. Schas. Deze Schas moet ook de bron zijn geweest voor de ‘negernaam’ van de plantage: Schasi. De plantage telde in 1821 500 slaven (vrij groot) en in 1843 was dat aantal teruggelopen tot 212. Er werd naast koffie, ook katoen verbouwd. De plantage lag aan de Warrappakreek. In 1793 waren de eigenaren de erven van ene J. D. Limes.

 

Van beide families zijn in het Nationaal Archief in Den Haag de familiearchieven te vinden. We pluizen het archief van de familie Schas helemaal uit, maar vinden niets wat op een inventarislijst lijkt. Bij de familie Limes is het raak. We vinden een inventaris van de inboedel dat is opgemaakt in 1795, bij het overlijden van één van de zoons van J. D. Limes. Naast de waarde van het land en van allerlei goederen, is er ook een sectie over de waarde van de slaven. Elke individuele slaaf wordt met naam en waarde genoemd. In deze lijst vinden we Grietje. Ze was 900 gulden waard.

 

Helaas vinden verder geen informatie over familierelaties. We zijn tot 1795 gekomen. Dat is vrij ver terug. Maar helaas hier houdt het genealogische onderzoek naar de vaderlijke stamlijn van Roué op.